maandag 23 juni 2014

Intermezzo

De komende dagen zijn er veel andere activiteiten die mijn aandacht vragen en daarom las ik even een korte pauze in. Nog even de stand van zaken:
John, een gepensioneerde (ja, wat eigenlijk?) is op de bonnefooi naar Damwoude in Friesland afgereisd omdat hij meer te weten wil komen over  de mysterieuze John B. Low Stoned.
Daar ontdekt hij dat deze al drie jaar dood is, maar dat zijn  weduwe Lucy er nog steeds woont.
Als hij haar bezoekt ontmoet hij Angel, de 17-jarige oversekste dochter van John B. en maakt hij later kennis met haar moeder Lucy, die constant stoned is.
John rookt er samen met de dames zijn eerste jointje, maar het blijft hier niet bij.
Hij mag blijven logeren omdat de volgende dag alle kinderen van John B. en Lucy op Lucy’s verjaardag langs komen en hij dan met hen over John B. kan praten.
John weet niet dat hij zowel op John B. Low Stoned lijkt als op Johnjohn, de twintig jaar geleden verdwenen zoon van Lucy en John B. Lucy is hierover heftig ontdaan.
Als John geheel volgens de voorschriften ontregeld ’s nachts in zijn bed ligt te woelen komt de verwarde Lucy per ongeluk zijn kamer binnen. Door de spontane fysieke reactie van John loopt het voor alle partijen gelukkig goed af en wordt er niet gesekst. De 5e aflevering eindigt met de stilte van de nacht als iedereen weer in zijn eigen bedje ligt.

In de volgende afleveringen maken we kennis met het zooitje ongeregeld dat John B. en Lucy op de wereld hebben gezet. Van sommigen heb ik dankzij gastschrijver (ghostwriter, medeschrijver?) Thezero een mooi profiel waar ik niet veel meer aan hoef te sleutelen. In principe kan ik verder.
Maar als er lezers zijn die aflevering vijf herschreven willen hebben omdat zij dit toch typisch een vorm van misplaatste onderbroekenlol vinden, sta ik voor suggesties open.
Sowieso is elke bijdrage aan dit blog welkom, als je maar niet vergeet dat ik de schrijver ervan ben.
Tot zover het laatste nieuws uit Stonedland, Damwoude, Friesland.




zondag 22 juni 2014

Ontmoeting in de nacht.

Het is al weer een tijdje geleden, maar ik krijg nog steeds het schaamrood op mijn kaken als ik terug denk aan die nacht. Telkens als ik dat doe is het alsof ik hem herbeleef.
Ik lig onrustig in bed te woelen. Teveel geblowd, teveel rauwkost gegeten.
Lucy stapt de logeerkamer binnen, maar ik heb niets in de gaten. Daarvoor ben ik teveel met mezelf bezig. Ze kan de schakelaar van het licht niet vinden en besluit om dan maar in het donker naar bed te gaan. Een begrijpelijk maar onverstandig besluit. Want hierdoor is de catastrofe onvermijdelijk.

Zoals bekend heeft het lichaam een aantal mogelijkheden om te reageren als het zich bedreigd voelt. Vechten, vluchten of zich roerloos houden. Maar er zijn er meer.
Lucy, die zich inmiddels heeft uitgekleed en haar kleren gewoon op de grond heeft laten vallen zoals zij altijd doet, voelt op de tast waar het bed staat en slaat het dekbed terug. Slecht een vaag onbestendig gevoel zegt haar dat er iets niet klopt.
En dan, juist op het moment dat ze bij mij in bed kruipt, laat ik een knetterharde scheet.
Niet zo’n klein beschaafd scheetje, dat je zachtjes tussen je billen laat ontsnappen in een gezelschap, waarbij je hierna iemand anders afkeurend aankijkt, maar alsof je in een lege kerk staat.
Echt een oorverdovende knal, gevolgd door de geur van rottend vlees en ontbinding.
Lucy slaakt een harde gil en wij beiden springen uit bed. Hierbij valt Lucy op de grond. Ze is totaal ontredderd. Ik zoek de schakelaar van de schemerlamp naast het bed.
Als het licht aan is zie ik tot mijn verbijstering een blote oude vrouw die jammerend op de grond ligt.
Het dringt niet gelijk tot me door dat het Lucy is. Op de gang klinkt gestommel en de deur gaat open. Daar staat Angel in haar blote gat. Ze kijkt ontzet naar haar moeder en naar mij.
Terwijl ik in een wolk van stank sta te flippen stapt ze op Lucy af en helpt haar overeind. Geen van drieën beseffen we echt wat er aan de hand is.
Omdat niemand goed weet wat te zeggen speelt dit hele tafereel zich af in doodse stilte.
Angel raapt de kleren van haar moeder van de grond, slaat haar arm om haar heen en brengt haar naar kamer. Zelf ga ik weer in bed liggen. Ik kijk met een onbewogen blik naar het plafond, maar in plaats van de mooie ornamenten die hiertegen zijn aangebracht zie ik Lucy en Angel weer voor me.
Gelukkig lost al snel het beeld van Lucy op en voel ik hoe mijn hartslag weer rustig wordt.

Angel stapt opnieuw de kamer binnen. Ze heeft een kamerjas aangetrokken.
“Ik doe even het raam open”, zegt ze. Hierna komt ze op de rand van het bed zitten.
“Alles goed?” vraagt ze dan vriendelijk. Ze heeft inmiddels begrepen wat zich in de kamer moet hebben afgespeeld. Alleen weet ze nog niet dat er geen opzet in het spel is.
Ik knik. “Er is verder niks gebeurd”, zeg ik haar. Ze lacht. “Dat had ik ook niet verwacht. Als ma zoveel geblowd heeft doet ze soms rare dingen. Ze is ook de jongste niet meer. Probeer nu maar lekker te slapen. Morgen praten we wel verder.”
Ze loopt naar de deur, bedenkt zich, komt terug en geeft me een kus op mijn wangen. “Wat kan jij stinken”, zegt ze dan lachend en sluit de deur achter zich.

Ik doe het licht uit. Niet zo vreemd dat er die nacht van slapen verder niet veel terecht komt.

zaterdag 21 juni 2014

Gedachtespinsels van Lucy

Het wordt tijd dat ik Thezero de Verschrikkelijke Schreeuwlelijk introduceer. Dit verhaal schrijf ik met iedereen die een bijdrage wil leveren en Thezero, de bedenker van John B. Low Stoned, mag niet onvermeld blijven. Thezero is, zoals hij het zelf zegt, een dominante persoonlijkheid, die er een houtje van heeft om anderen mateloos te irriteren. Stel je een reus van een kerel voor, vriendelijk en meelevend, een talentvolle artiest die weinig erkenning heeft gekregen van de samenleving maar die met een ijzeren wil zichzelf regelmatig de verdommenis in praat, waar niemand hem kan van af houden. Iemand waarvan er zovelen zijn dus. Mensen die meer oog hebben voor de volle maan tussen de bomen dan de zon in het water. Kortom, een fijn maar niet gemakkelijk mens in de omgang. Een soort van GVR. Nee, niet een Grote Vriendelijke Reus, maar een Vervelende. Een huislijke type die door zijn nog dominantere partner in het gareel wordt gehouden. Want zo’n kolossaal mens heeft dit nodig om te voorkomen dat hij brokken maakt. Zo’n type dus. En minstens zo eigenwijs als ik.
Nu, deze Thezero heeft voor deze aflevering van ‘The Household…’ de grootste bijdrage geleverd. Ik vond het echter nodig om hieraan wat te schaven en te schuren anders verlies ik straks de greep op de verhaallijn die ik nog niet voor ogen heb, maar die ik zo simpel mogelijk wil houden. Niet omdat ik de intelligentie onderschat van de enkeling die dit verhaal leest, maar omdat ik anders zelf de weg kwijt geraak. Maar genoeg geouwehoerd. Laten we terug gaan naar het lieflijke dorp Damwoude in het oosten van Friesland waar een deel van dit verhaal zich afspeelt.

Terwijl ik in mijn bed lag te woelen zat Angel ondertussen met zich zichzelf te spelen. Ze kon maar geen besluit nemen of ze zichzelf en mij op een spannend avontuur zou trakteren. 
Lucy was nog op. Met een wezenloze blik in haar ogen hing ze onderuitgezakt  in haar stoel. De asbak op het tafeltje zat vol peuken.
In haar verwarde brein liepen haar gedachten en emoties van die dag door elkaar. Ze had de laatste jaren toch al zoveel moeite om daar enige samenhang in aan te brengen. Door de ontmoeting met John vandaag was het er niet beter op geworden. Laten wij een poging wagen om er achter te komen waarom, los van het feit dat ze zich weer suf had geblowd, ze zo in de war was.

“Kom ik de kamer binnen, zie ik daar the image van mijn veel te jong uit het leven gestapte 
husband en mijn zoon Johnjohn.  Wat a resemblance.
Potverdorrie, two drops of water maar dan zonder het mooie lange zwarte haar en de volle zwarte baard die mijn John had. Maar wel datzelfde atletische lichaam.
Al meer dan twintig jaar is Johnjohn nu spoorloos. Al die tijd heb ik het gevoel gehad dat hij nog leeft. Het kan toch niet zo zijn dat John en Johnjohn dezelfde zijn? Een mens kan chance a lot in twintig jaar. Ik snap er geen reet van. Nee, dit is onmogelijk. John is zeker twintig jaar ouder. Maar wat een resemblance.
Moet ik John nu zeggen hoe hij lijkt op mijn John en mijn Johnjohn?
Johnjohn zou nu veertig moeten zijn en this stranger ziet er net zo oud uit. Nu ja, ruim veertig.
Wat heeft die jongen mij een verdriet gedaan door nooit meer wat van zich te laten horen nadat hij vertrokken was naar Tibet. Enough of this society had hij, had hij gezegd. Hij zou een klooster in gaan en er blijven tot zijn dood.
Johnjohn, mijn sweetheart, waarom heb je toch nooit meer wat van je laten horen?
Morgen spreek ik John er wel over aan. Hij moet weten dat hij zo ongelooflijk op mijn John en Johnjohn lijkt. Zoals ik denk dat Johnjohn er nu uit zou zien.
Ik hoop maar dat Angel hem vannacht met rust laat. Dat kind is oversekst. Wat lijken sommige dochters toch veel op hun moeder.
Die John dacht dat we even oud waren. Net in de zestig is hij. Ik ben net zo oud als hij maar ik voel me wel tachtig. So sweet he said this. De meeste mensen schatten mij much older.”
  
De gedachten van Lucy schieten alle kanten uit. De meeste ontsnappen aan haar voordat ze bewust zijn geworden. Het zijn slechts flarden zonder enige samenhang. Zoals dit ook bij andere mensen is.
Lucy denkt aan morgen wanneer al haar kinderen langs komen om haar verjaardag te vieren, aan Johnjohn die er niet bij zal zijn, aan de Vauxhall vol met deuken waarvan ze denkt dat het een Volvo is, net zoals de Golf een Volkswagen is en niet een ander type auto, aan haar zoon Theo, de dorpsgek, die al jarenlang bij de koster in de kelder woont en die morgen onder begeleiding even op bezoek komt en aan John die zoveel belangstelling voor haar overleden man heeft.
Haar gedachten tollen in haar hoofd. Plotseling voelt ze zich ontzettend moe.
Ze hijst zichzelf overeind uit de stoel waar haar John destijds dood werd aangetroffen, een uitgebrande joint met een kegel as nog in zijn hand.

Daarna doet ze het licht uit, stommelt de trap op en gaat naar boven waar ze, omdat haar hoofd vol lege gedachtes zit, de logeerkamer in stapt waar ik de slaap probeer te vatten.

donderdag 19 juni 2014

Lucy

Die vreselijk stonede uitdrukking op haar gezicht toen ze de kamer binnen stapte zal ik nooit vergeten. Dit was dus Lucy, de weduwe van John en de moeder van Angel. En nog zo’n zes kinderen. 
Het leek wel of haar ogen dichtgeplakt zaten. Door de bril die ze droeg werd dit effect nog versterkt. 
Zo te zien was ze van mijn leeftijd, net begin zestig. Helemaal grijs, een tenger vrouwtje, gekleed in een beige duffelse houtje touwtje winterjas, terwijl het buiten toch zeker zo’n twintig graden was en de rauwe hese stem van iemand die net een asbak had leeg gegeten.
“Hi, Lucy.” Ik hees mezelf moeizaam overeind en pakte de uitgestoken hand. “John”, zei ik.
“Zo heette my husband ook. Angel zei dat je voor him came. Nu, dan ben je drie years too late.”
Ik vertelde haar dat ik wist dat John was overleden. Dat ik over hem gelezen had in het boek van R.O. de Lap dat ik vorige maand op een tweede hands boekenmarkt had gekocht. En dat ik hierdoor in hem geïnteresseerd was geraakt.
Ik overwoog om zijn levensverhaal op te schrijven omdat ik vond dat John de mensen wat te zeggen had. Door mijn vroegere werk was ik bekend in het uitgeverswereldje en daar had men ook belangstelling getoond. Misschien dat Lucy wat tijd voor me wilde uittrekken om mij meer over haar overleden man te vertellen. Ze zou me daar een groot plezier mee doen.
Lucy staarde me zwijgend aan. “Je zit op mijn stoel”, zei ze toen. “My chair. En zou je wat louder willen praten want ik ben wat doof, you know.”

Ik stond op zodat zij in haar stoel bij het raam kon gaan zitten en reikte haar het tippie van het jointje aan. “Thanks. Angel, geef John eens een biertje. Je lust toch wel een biertje?” Ik had een droge keel gekregen van het roken en voelde me wat draaierig. “Zeker. Graag.”
Angel had net een kratje in de hoek van de kamer neergezet. “Ik maak eerst even de wagen leeg. Kun je me even helpen?”, vroeg ze me. Ik knikte en volgde haar waggelend naar buiten. In de gang hield ik de muren vast om niet om te vallen. 
Voor de deur stond een oude groene Vauxhall vol deuken met de kofferbak open, die uitpuilde van de boodschappen.
“Ma rijdt niet meer zo goed als vroeger. Haar ogen zijn niet zo best meer” zei Angel ter verklaring van de deuken. En ze stapt zo stoned als een aap achter het stuur, dacht ik.
Door de frisse buitenlucht kwam ik weer wat bij positieven. Samen brachten we alle boodschappen naar binnen en hierna ging ik met Angel naast me op de bank zitten met een pilsje voor me op het tafeltje vol met brandplekken.
Intussen had Lucy een joint gedraaid en zat ze heftig te paffen. “Ma is altijd de grootste fan geweest van Pa”, lichtte Angel het gedrag van haar moeder toe.
“Een dag niet geblowd is een dag niet geleefd”, zei hij altijd.
“Zit niet zo over je moeder te roddelen waar ze bij zit”, sprak Lucy haar dochter bestraffend toe.
“Als je wil weten hoe John was moet je morgen komen. Tomorrow. Dan zijn al mijn kinderen er because of my birthday.” Blijkbaar had Lucy al besloten om mee te werken aan mijn verzoek.
“Je kunt hier ook wel blijven slapen in de guest room. Maar je moet dan wel van Angel afblijven”.
Ze maakten hier van hun hart geen moordkuil, dacht ik. Gelijk zeggen waar het op staat.
“Ik ben veel te oud voor Angel”, reageerde ik. “Old cows eat tender grass”, kreeg ik als reactie.
Ik bleef die  nacht logeren. Dat was het makkelijkste. Bovendien had ik zoveel geblowd dat ik niet meer op mijn benen kon staan. Voor de zekerheid blokkeerde ik de deur van de logeerkamer door een stoel schuin onder de deurknop te zetten.
Ik had al gezegd dat ik me niet zo op mijn gemak voelde bij Angel. Natuurlijk maakte ik mezelf niets wijs, maar zij zou niet het eerste meisje met een vadercomplex zijn dat mij een aardige man vond.
Zoiets vind ik best, maar ik had geen zin om me tegenover Lucy schuldig te voelen.
Wat ik niet gezien had was dat er nog een deur in de kamer zat en dat die toegang gaf tot de badkamer.
En met mijn benevelde brein had ik de stoel onder de deurknop van de badkamerdeur gezet.
Ach, als je stoned bent kun je soms niet alles meer goed overzien. Maar hoe kon ik dat toen weten?




dinsdag 17 juni 2014

Angel.

Het eerste wat mij opviel toen ik Angel naar binnen volgde was de penetrante stank van wiet.
De huiskamerdeur stond open en ik zag dat de kamer blauw stond.
Als John nog had geleefd dan had dit me niet verbaasd. Maar van Angel met haar frisse rode koontjes had ik dit niet verwacht. Ik snapte niet dat ze er nog zo energiek uit zag.
Mijn God, wat stonk het. Buiten rook ik slechts een zachte zoete geur. Maar in het halletje was de stank zo sterk dat ik bijna over mijn nek ging.
Met mijn hand voor mijn mond volgde ik Angel naar binnen en ging zitten in een versleten bruine leren fauteuil dicht bij het raam, dat op een kier open stond.
Angel schonk me een kop koffie in en begon een jointje te rollen. In de asbak zag ik al ettelijke verse peuken liggen. Ik zei haar dat ik mij verbaasde dat ze er nog zo fris uit zag.
“Die zijn van m’n moeder”, zei ze lachend. “Ik kom net uit school. Ik ben de hele dag braaf geweest dus dit heb ik wel verdiend.”  
Vakkundig verkruimelde zij wat wiet en deed dit in een groot vloei.
“Gôh, dat jij zo in mijn pa geïnteresseerd bent. Dat zal ma vast leuk vinden.”
Mijn oog viel op een spreuk schuin achter haar:
It ain’t the dope that’s the problem. Your mindset is.
Ik herkende de tekst uit het boek van Theo. Deze had aan John gevraagd wat hij hiermee bedoelde en John had hem uitgelegd dat de wiet alleen je stemming versterkt. Vrolijke mensen begonnen soms te stuiteren van de lol, maar als je een somber iemand was werd je vaak nog somberder. Die lui konden maar beter niet blowen. Speed of xtc was waarschijnlijk beter voor hen.

Angel stak de joint aan en zoog vergenoegd de rook naar binnen. Fascinerend hoe zij genoot.
Ik rookte zelf niet en ook in mijn vriendenkring was er niemand die blowde. Natuurlijk was ik wel nieuwsgierig, maar ik zag mezelf nog niet een coffeeshop binnen gaan om wat wiet te kopen.
“Ben jij getrouwd?”, vroeg ze. “Gescheiden”, antwoordde ik kort. “Waarom?” “Waarom niet?”
Ik had geen zin om het met haar over mijn persoonlijke leven te hebben. “Je ziet er best sexy uit”, was haar reactie. Ze reikte me de joint aan en zag dat ik aarzelde.
Ik ben geen held. Zeker in het gezelschap van jonge vrouwen voel ik mij niet altijd op mijn gemak.
En bij deze vrijmoedige Angel al helemaal niet.
Maar om het niet verder over mij te hebben nam ik de joint aan. Gewoon even een trekje nemen. Zo erg kon dit toch niet zijn. Dus net als ik Angel had zien doen stopte ik het filtertje in mijn mond en inhaleerde diep. Eerst gebeurde er niets. Maar toen leek het of mijn longen klapten.
Ik begon vreselijk te hoesten. Het hield niet op. Angel die aanvankelijk geamuseerd had zitten toekijken liep de kamer uit en kwam even later terug met een glas water.
“Zeker nog nooit geblowd? Dat dacht ik al. Hier, drink op.” In één grote teug slokte ik het water naar binnen. Ik voelde me gelijk beter.
Nou niet kinderachtig zijn, zei ik tot me zelf en nam nog een haaltje. Deze keer inhaleerde ik rustiger. Er volgde slechts een beschaafd kuchje.
“Lekker”, zei ik en gaf Angel de joint terug.
 “Hier in het dorp gebeurt nooit wat. Waar kom jij vandaan?”
“Rotterdam”.
“Rotterdam? Leuke stad. Ik ben er vorig jaar nog geweest. Wel een eind weg.”, zei ze peinzend. “Als ik straks klaar ben met mijn opleiding ga ik naar Amsterdam. Studeren. Ik weet nog niet wat. Maar hier blijf ik niet.”
En terwijl we samen het jointje op rookten ontdekte ik dat Angel zeventien jaar was en in de laatste klas van het VWO zat. Zij was de enige van de kinderen die nog bij haar moeder woonde.
Ze had nog drie oudere zussen: Yvonne, Lilian en Monique. En drie oudere broers: Peer, Jeep en Theo. Die woonden allemaal op zichzelf. Morgen zouden ze met z’n allen langs komen omdat haar moeder dan jarig was.  
Ik hoorde de buitendeur open gaan. “Dat zal ma zijn. Ik ga haar even helpen met de boodschappen. Blijf jij maar rustig zitten.” En terwijl ze wegliep duwde ze het restje van de joint in mijn hand.

En zo trof Lucy mij aan; achterover hangend in een fauteuil met een jointje tussen mijn lippen. Alsof dit de gewoonste zaak ter wereld was. 

maandag 16 juni 2014

Op zoek naar John.

Omdat wij ons zelf bij gebrek aan zelfkennis normaal vinden en anderen ons daarin meestal niet tegen spreken, is het vaak moeilijk om te begrijpen dat er mensen zijn die anders in het leven staan dan wij.
Desondanks weet bijna iedereen dat Onze Lieve Heer er naast het gewone volk ook een aantal vreemde kostgangers op na houdt.
In het op last van de rechter uit de handel gehaalde boek “Gevonden onder een steen” uit 1998 van de bekende polemist R.O. de Lap (pseudoniem van Theo de Twijfelaar) beschrijft deze een aantal van deze ‘paradijsvogels’.
Na een diepe crisis in zijn persoonlijk leven had Theo behoefte aan een frisse kijk op de dingen.
Hij besefte dat hoe je tegen alles aankijkt afhangt van het perspectief dat je kiest.
Omdat de zogenaamde normale mensen met wie hij te maken had hem niet konden helpen, bedacht hij dat hij misschien hulp zou kunnen krijgen van degenen die als afwijkend werden beschouwd.
Mensen die leefden aan de zelfkant van de samenleving.  Die door hun medemensen werden gemeden om hun levenswijze en de vaak bizarre ideeën die zij er op na hielden.
Tijdens zijn zoektocht ontdekte hij dat de meesten van hen gewoon in een gekkenhuis thuis hoorden, maar dat sommigen gelouterd door het leven tot waardevolle inzichten waren gekomen.
Zo besteedt hij in hoofdstuk 3 aandacht aan de tot Nederlander genaturaliseerde Engelsman John B. Low Stoned, die zich samen met zijn vrouw Lucy gevestigd had in het onbeduidende plaatsje Damwoude in Friesland.

Na het lezen van de bijzondere ontmoeting die de schrijver met John B. Low Stoned had was mijn nieuwsgierigheid gewekt . Omdat ik verder geen gegevens had en ook op internet niets kon vinden over John B. besloot ik op de bonnefooi naar het Friese gehucht af te reizen om hem te zien en te spreken. Als gepensioneerde had ik toch niet veel om handen en daarnaast alle tijd.
De eerste die ik sprak was een oude vrouw, die net een emmer met schoon water uit de waterput  naast de kerk omhoog getakeld had.
Zoals bekend is Damwoude het enige en laatste dorp in Nederland waar stromend water nog niet overal beschikbaar is. Ook de toiletten zijn vaak niet meer dan een gat in de grond, waarboven een soort van kist is getimmerd met een opening in het midden.
Met de zogenaamde Skyt Stange (poepstok) duwt men de grote boodschap naar beneden, waarna met een emmer water de troep wordt weggespoeld.
Maar dit terzijde. De vrouw vertelde me dat John drie jaar geleden was overleden, maar dat zijn echtgenote nog steeds in de oude boerderij  aan de Haerewei woonde.
Ik bedankte haar en al was ik teleurgesteld dat John niet meer leefde, misschien zou zijn vrouw mij meer over hem kunnen vertellen. Op de Haerewei herkende ik al snel de boerderij waarvan de vrouw een omschrijving gegeven had.  Dit was niet moeilijk, want in de fries boven de deur waren op kunstige wijze hennepblaadjes aangebracht.   
Na mijn bellen werd er open gedaan door een jonge aantrekkelijke vrouw met blozende wangen en grote borsten. Ik weet dat deze omschrijving niet ter zake doende is, maar het viel me gelijk op.
Ze bleek een dochter van John te zijn en stelde zich voor als Angel. Na mij te hebben voorgesteld en de reden van mijn komst te hebben verteld nodigde ze me uit om binnen op haar moeder te wachten, die naar de plaatselijke grutter was om boodschappen voor het weekend te halen. Over een klein half uurtje zou ze wel weer terug zijn. Ik bedankte Angel en volgde haar naar binnen.


Zo begint dus mijn kennismaking met een uitzonderlijk mens. Nee, niet met Angel, hoewel ik die later ook beter heb leren kennen. Ik bedoel natuurlijk John B. Low Stoned. Ik hoop daar een andere keer meer over te kunnen vertellen.